Dees en Ger gaan swingen

In de trein zat ik met zussen Dees (ik denk Desiree) en Ger (vermoedelijk Gerrie) uit Den Haag. Ze waren onderweg naar Amsterdam voor een weekendje fun. Kers op de taart was morgenavond Humberto in ‘het Ziggo’. Beide zussen hadden een rolkoffertje bij zich met daarin, wat ze zelf noemden, zooi. Hakken, schone slippies, oorbellen, reservepanty. Een jassie voor als het koud zou worden, of juist om uit te trekken als de boel oververhit zou raken, en lekker makkelijke schoenen voor aan het einde van de avond.

Dees en Ger namen door wie er allemaal waren afgehaakt, en waarom. Aad vanwege zijn alcoholprobleem, hij was laatst naar huis gereden met zeven biertjes op en zijn vrouw Riet was er gewoon naast gaan zitten, Jolanda vanwege haar knie, die ze maanden geleden had verzwikt, verstuikt, gescheurd of iets in die trant. En Anita, die had geen geld. Nou, zij wel hoor. En ze hadden er zin in.

Er hingen kruimeltjes onder de mond van Ger. Wit; onduidelijk of het huidschilfers of koekkruimels waren. Dees zei er niets van. Haar trolley was knalpaars, die van Ger zilverkleurig. ‘Trouwens ook ongelooflijk dat jouw bloeddruk nog gewoon goed is’ zei Ger. ‘Als ik zie hoeveel jij snaait op een dag. En je tanden, die blijven ook gewoon normaal.’ Dees reageerde met gepaste trots. ‘Laatst mijn bloeddruk weer eens gemeten, die was 130 om 85. Perfect dus. En mijn tanden zijn ook goed ja.’ De zussen knikten beiden met hun hoofd.

Ik zou zweren dat Dees een kunstgebit droeg.

‘Wat heb jij nou eigenlijk met je haar gedaan, Dees?’ Ger wees op het kortgeknipte kapsel van haar zus, dat inderdaad een wat merkwaardige kleur had. ‘Ja joh, ik had toch van die enorme witte manen? Ik zei tegen de kapper: verf maar weg. Nu is alles grijs’. Dees plukte wat aan haar haar. ‘Ik vind het niet mooi. Nee. Zeker niet. Echt niet.’ Zuslief leek niet te schrikken van de vrij lompe manier waarop Ger kritiek uitdeelde. Midden in de trein ook. ‘Ja, het wordt steeds minder hoor. Door het wassen’. Het deerde Ger niet: ‘En je bent ook je oorbellen vergeten.’

Het haar van Dees had een geelpaarse gloed.

Ger trok een geeltje uit haar portemonnee. ‘Kijk, ik heb een spiekbriefje gemaakt.’ Op het papiertje stonden wat tijden en haltes gekrabbeld in een vreemd en nogal kinderlijk handschrift. ‘Top joh, onze metro stopt daar dus echt voor de deur’. Dees leek maar wat blij met het accurate voorwerk van haar zus. Misschien dat de verhoudingen tussen hen altijd al zo hadden gelegen.

Ik hoop dit weekend geen beelden van Let’s Dance te zien. Oh God, nee. Dees en Ger in netkousen en zwartleren rokken zien heupwiegen, lippenstift aan kin en wang, met een glas bier -extra groot- in de hand. En met hen nog duizenden andere vijftigers. Lullend en lallend, zwierend en zwalkend. Op muziek van Brainpower. Nee, bedankt.

 

 

Reizen met het ov: lekker krampachtig

Ik zit weer eens in de bus. Ditmaal van Amsterdam West naar het centraal station. Ik zwaai naar een man in de bushalte aan de overkant. De man van middelbare leeftijd, met een zilverwitte baard tot aan zijn navel, heeft een paar minuten eerder staan schreeuwen. Vieze woorden en scheldkanonnades. Wiebelend en giechelend met een groot blik bier in zijn hand. En een spuugmondje. Overduidelijk aangeschoten. Het echtpaar tegenover me kijkt afkeurend naar mijn gezwaai. Alsof ik iets besmettelijks heb of iets onvergeeflijks doe.

Schuin voor me zit een man met van ‘die zwemvliesschoenen’ aan. Tot mijn verbazing draagt hij hierin sokken. Witte sportsokken van Reebok. Ik vraag me af of hiermee het eigenlijke nut van zulke rare schoenen niet wegvalt. “Kan het wat zachter?” klinkt voorin de bus. De buschauffeur die bij instappen al niet zo vrolijk overkwam, is achter zijn stuur vandaan gekomen. Hij buigt zich over het voorste zitje, waar een jonge moeder en luidruchtige peuterzoon zitten. Het kleine ventje zingt en heeft hoorbaar veel plezier, maar dat mag niet van de chauffeur. “Anders moet u maar achterin gaan zitten met uw kind. Ik wil die herrie niet achter me.

Wat een heerlijk onsympathieke mensen bestaan er toch. Zo reisde ik onlangs eersteklas met de trein naar Breda. Bij het ‘knippen’ van de kaartjes kon de dame voor mij het niet laten om zich als een trut te gedragen. “Ik ben niet tevreden met de mensen die hier in de eerste klasse zitten”, zei ze tegen de conducteur. Ze wees naar een groep mensen – op het eerste oog familieleden – die even verderop in de coupé zat. De mensen spraken hard en lachten veel. Ze hadden ook een ander kleurtje dan het roomwitte gezicht van deze dame. Ik kreeg het gevoel dat dáár het probleem zat. Weinig tolerantie en nog minder ruimdenkendheid.

De jongen achter me heeft een nestje gebouwd met zijn jas, een tas en een half uitgeklapte paraplu. Hij eet pinda’s uit een voordeelverpakking en drinkt oploskoffie uit een grote plastic mok. Hij intrigeert me. Tussen het gesmak en geslurp door klinken vreemde kreten. Ik versta niet goed wat hij zegt, maar heb de indruk dat het gaat over dingen die ik niet zie, hoor of voel. Instappende passagiers lopen hem voorbij; de zitplaats naast hem blijft leeg. Misschien heeft het geurenpalet er iets mee te maken – vrij heftig, alhoewel ik vooral denk dat hij met zijn voorkomen anderen schrik aanjaagt. Iets met stigmatisering en stereotypering.

Soms vind ik het niet leuk meer in het openbaar vervoer. Je mag tegenwoordig helemaal niks meer. Kinderen mogen niet zingen over de ronddraaiende wielen van de bus. Je mag niet zwaaien naar een toevallige voorbijganger die indruk op je maakt. En je hoort vooral geen gesprekken met jezelf voeren. Laat staan anders zijn. Plezier hebben. Contact leggen. Geluid maken. Ik stel voor dat we de komende tijd minder krampachtig gebruik gaan maken van het ov. Gewoon gedagzeggen bij het in- en uitstappen. Een praatje aanknopen met medepassagiers. Even helpen met de kinderwagen of rollator. De telefoon wegstoppen. Niet zo duwen maar gewoon voorlaten. Want echt: het kan zoveel leuker. Bovendien houd ik me aanbevolen voor een vaste column voor NS, Connexxion of welk ander vervoersbedrijf ook.

Over dikke pech en grote drollen

Terwijl ik sta te vloeken omdat ik zojuist met mijn bovenbeen hard tegen een openstaande la aanliep, stoot ik mijn teen aan de rand van de koelkastdeur. Wrijvend over twee plekken tegelijk concludeer ik dat dit zo’n klotedag is. Het is onvoorstelbaar hoeveel dingen soms misgaan bij mij. Ik som ze graag even voor je op.

Vanmorgen bleek de achterband van mijn fiets zacht. Ik wilde ‘m oppompen en zocht hiertoe in het berghok naar de fietspomp. Die bleek ergens achter een grote surftas te staan en om het kreng te pakken, moest ik een vreemde houding aannemen. Met mijn linkerarm uitgestoken en mijn rechterschouder nogal ongemakkelijk ingedraaid, voelde ik het fuckding door mijn hand glijden toen er iets gruwelijk misging in mijn linkerschouder. Een vlammende pijn schoot erdoorheen. Na een paar minuten was de pijn helaas nog niet weggezakt en mijn geduld flink opgeraakt, dus griste ik met een allervreemdste beweging de pomp alsnog achter het surfgerei vandaan. Mijn schouder deed de rest van de dag pijn. De fietspomp bleek stuk.

Met een zachte achterband is het kut fietsen. Het kost een hoop moeite en dubbel zoveel tijd om op de plaats van bestemming te komen. Ik moet er altijd van zuchten.

Eenmaal aangekomen bleek mijn afspraak helemaal niet genoteerd te staan en kon ik onverrichter zake terug. Weer twintig ellendig langzaam fietsen. Thuis had de kat op drie verschillende plekken gepiest. Ik voelde me nogal in mijn zak gescheten, maar had eerder gelezen dat boos worden geen zin heeft. Een half uur later was de vloer tweemaal gedweild. Zonde van mijn tijd; het is niet anders. Dan maar even iets onzinnigs doen. Televisie aan. Blauw beeld, zwart, knipperend, weg. Wel geluid, geen beeld. Storing bij Ziggo. Het begon me te dagen dat dit weleens zo’n klotedag kon zijn. Boodschappen doen. Een kwartier later zaten de zolen van mijn Nike’s volledig onder de hondenstront. En nergens een regenplas te bekennen om met mijn bevuilde schoeisel in te staan. Gelukkig had de Albert Heijn een stevige deurmat. Daar zaten nadien flinke strepen op.

Ik had iets voelen glijden en heb achterom gekeken. Nooit doen natuurlijk.  Je wilt die roodbruine vegen met wat vliegen erboven helemaal niet zien.

Het was nog niet gedaan, want wat hierop volgde was pas echt een grote clusterfuck. In willekeurige volgorde: een te ver opengescheurde zak – ik ben ongedurig en onhandig – en rondvliegende nootjes, de jaarlijkse incasso van de doorlopende reis- en annuleringsverzekering (heb ik die?), een coderingsfout in mijn website, te hete thee, krabben aan een muggenbult waar ik echt beter van af kon blijven, een opkomende ontsteking aan mijn ooglid, struikelen over de kat, gat in lievelingsshirt, uien die vanbinnen rot bleken (ze noemden het ‘vers’), billen vegen met keukenpapier omdat ik het toiletpapier vergeten was en compleet inspiratieloos werken aan een opdracht. Een totale uitputtingsslag.

Tegen beter weten in iets doen is raar en toch doe ik het vaak. Het eindresultaat is altijd onbevredigend, maar de drang te groot.

En na dit alles besloot ik dus een bos bloemen voor mezelf te halen. Troost. Weer de deur uit. Jas aan, ander paar schoenen, vier minuten heen, tien minuten twijfelen, twee minuten afrekenen, vier minuten terug. Thuis pakte ik de vaas, leegde het zakje ‘suiker’ erin, deed de kraan open en liep naar de kast om een schaar uit de la te pakken. Ik scheurde het plastic open, wat niet gemakkelijk ging, knipte het touwtje dat om de steeltjes gewikkeld zat los, sneed de bloemen schuin af op ongeveer twee centimeter, zette ze in de vaas met water, tilde het geheel op en draaide me om. Onderweg naar de eettafel kwam ik de openstaande la tegen. De rest is geschiedenis.

Groot ongemak in de trein

Hoe krijg ik het voor elkaar? Mijn voet zit klem tussen de stoel voor mij en de rand waar nét geen voet op past. Ook niet die van mij. Ik begrijp niet waarom zulke randen gemaakt worden. Totaal disfunctionele dingen. En nu komt de conducteur er ook nog eens aan. ‘Heb ik nou wel of niet ingecheckt?’ Op zoek naar mijn chipkaart graai ik wat in mijn tas en jas. De kaart glijdt uit een van de jaszakken en valt op de vloer, naast een plakkerig plasje koffie. Wel of niet? Wel of niet? Ik weet het niet meer. Op dit soort momenten voel ik mij een droeftoeter. En een neuroot. Maar ik doe helemaal niet aan één been op de stoep en andere bezweringsformules. Ik doe alleen aan inchecktwijfel.

Ik stel mijzelf gerust met de gedachte dat er meer reizigers zijn die dit hebben. Dat weet ik zeker. Toch stoort het mij hoe warm ik het krijg van zulke situaties. Iedere keer weer de zenuwen en natte oksels. Deze keer zit de mascara ervan onder mijn ogen. De conducteur is er bijna, nog twee vierzitters bij me vandaan. En ik weet het niet meer. Kak. Wat kan ik doen? Alle opties nagelopen kies ik voor de minst erge: ik ga vi-sua-li-se-ren. Even rustig nagaan wat ik allemaal heb gedaan voor het instappen. ‘I went to the beach and immediately started drinking‘. Ik open mijn ogen om te zien wie mijn momentje verstoort en aanschouw een aangeschoten Amerikaan die snoevend de coupé inkomt. Achter hem drie andere Amerikanen met grote blikken goedkoop bier in de hand. Ik ruik ze – meer dan een biertje – en zie hoe ze aan de andere kant van de coupé achter elkaar in twee tweezitters plaatsnemen.

De rust is weg en ondertussen ben ik ook mooi aan de beurt bij de conducteur. Hij controleert mijn chipkaart en stinkt ongelooflijk uit zijn bek. Ik vind ‘m wel erg aardig doen. Blijven lachen. Ik blijk gewoon te zijn ingecheckt. Al dat geklooi voor niks. In de verte hoor ik de Amerikanen schik hebben met geesteloze grappen. Ik zit totaal niet lekker door spierpijn, plakbillen en het gemis van een brede rand voor het neerzetten van mijn voet. Terwijl ik schuif en draai, mijn benen over elkaar sla en toch weer onderuitzak, word ik ‘geroepen’. ‘The lady over there that happens to be ve-ry pretty’. Oh, hier houd ik dus niet van. De meest luidruchtige van de vier Amerikanen biedt mij een halve liter bier aan, zijn maat port hem hierbij stevig in de zij. Ik zeg nee. Normaal gesproken lust ik er wel eentje, maar vandaag ben ik aan het werk. ‘So, what is it you do?’, vraagt een van hen. ‘I write, mostly about irony found in everyday live‘. De Amerikanen vallen even stil.

Even maar, want na enkele seconden vertellen ze me ongevraagd waarom ze hier zijn. Ondanks dat ik er geen behoefte of boodschap aan heb, hoor ik dat deze mannen niet voor Nederland komen. Ze komen voor Amsterdam. Onder andere voor de ‘fucking amazing‘ illegale feesten onder viaducten in de buurt – waar precies is mij een raadsel – en de ‘gezelligheid’ ’s avonds op de Wallen, waar ze kamergenoten uit het hostel tegenkomen. Ze eten shoarma, pizza, kip, hamburgers en soms een dag alleen ‘candybars‘. Bovendien vinden ze het leuk om te hangen in The Bulldog Palace. De Amerikanen vinden Amsterdammers toffe mensen die doen ‘whatever the fuck they feel like‘. Alleen de dames kunnen beter; veel zijn er arrogant. Ondertussen friemel ik aan mijn broek. Ik zie een paar vlekken zitten. De avocado van gisteravond? Ik maak het alleen maar erger en veeg gruwelijke strepen lichtgroen vet over de stof uit.

Ik ben al snel redelijk klaar met ze. Hun verhalen interesseren me geen kont. Op de uitgeklapte tafeltjes groeit de verzameling lege halveliterblikken Export pils. Ze zitten de boel daar knap weg te drinken. Ik onderneem diverse pogingen om de gespreksvoering eenzijdig te beëindigen. Ik kijk naar buiten. Al snel word ik weer ‘geroepen’. Ik doe mijn oordopjes in. Er worden kleine propjes gegooid. Ik geef een grote mond. Het windt de Amerikanen op. Tjezus, wat gebeurt hier? Terwijl zij inmiddels joelen en hyenageluiden maken, zoek ik overprikkeld een andere coupé op. Het wordt weer stil. Tot overmaat van geluk ga ik er bij het volgende station uit. Zij ook: ‘how nice‘. Bij het uitstappen vang ik nog een glimp op van de Amerikanen in hun glimmende shirts, rare sneakers en vormloze jeans. Met ferme pas loop ik het perron af, achter me hoor ik nog wat heisa. Het ebt weg. Ik spoed mij huiswaarts om te schrijven. Spontane ingeving. ‘Oh, the irony of it all’.

Jongerentaal voor nitwits

Een willekeurige dag op een willekeurig station in Noord-Brabant. Oké, station Eindhoven om precies te zijn. Ik loop de centrale hal door en beland in een wereld die nog het meest lijkt op die uit een flauwe Nederlandse actiekomedie. Na een kwartier rondhangen in en om het station heb ik tientallen nieuwe woorden geleerd en weet ik weer waar de jeugd van tegenwoordig mee bezig is. 

Ik wil xtc poppen en een neger neuken“. Ik weet niet zeker of ik het goed versta en het meisje tegen wie dit gezegd wordt, volgens mij ook niet. Hierom herhaalt het grietje het nog maar eens, deze keer harder. Ze is opmerkelijk koud gekleed; het is een graad of dertien. Er schiet een bejaard echtpaar voorbij dat van gekkigheid niet weet waar het kijken moet. Of oprecht geen idee heeft waar dit over gaat. De meisjes staan met hun mobiele telefoon in de hand naar muziek te luisteren. Via de speaker klinkt iets van Lil Kleine: het gaat over haat, papa en zes shows per dag. Ik denk terug aan de jaarlijkse talentenshow op mijn middelbare school. Ik deed er nooit aan mee. De meisjes duwen hun smalle heupen van links naar rechts. Het ziet er houterig uit.

Even verderop besluit ik een espresso te halen en loop de AH To Go binnen. Daar beland ik in een korte rij, achter een alternatief ogende jongen met een veel te dure fiets aan zijn hand. “Die rave was echt kankervet“. Een rave? Ik dacht dat dat iets was uit de jaren 80. Ik denk bij dit woord aan lange dreadlocks, dansen op blote voeten, psychedelische trance en vooral aan mensen die toen al te oud maar ‘zo lekker jong van geest’ waren. De jongen vervolgt zijn luisterrijke verhaal: “Ik ben gestopt met fietstechniek en nu is alles chill. Ik hang elke dag bij die boy. Hij is van een tot zes djongo aan het draaien“. Het meisje naast hem lijkt niet goed te weten hoe te reageren en mompelt iets als ‘dik’ en ‘dope’. Het klinkt voor geen meter.

Met mijn dubbele espresso in de hand – een enkele voldoet na zoiets niet meer – pak ik de vrije plek op het bankje buiten, in de slappe lentezon. Vanuit mijn ooghoek zie ik iets aan komen strompelen. Het hinkt en trekkebeent. Eerst zie stralend witte Timberlands (zijn die net gepoetst?) met iets dat verdomd veel lijkt op verhoogde hakken. Daarboven een bizar strakke spijkerbroek die, ondanks een grote riem met glimmende gesp, niet veel hoger dan op dijbeenhoogte hangt. Knijpt deze jongen zijn drol af? Heeft hij aambeien?  Een vergroeide voet? Spierpijn? Wat gebeurt daar voor ongemakkelijks? Maar hij lacht erbij en ontbloot daarmee een gouden hoektand. Hij begroet zijn ‘matie’ – vast niet zonder toeval ook daar – met een ‘handshake’ die minstens tien seconden duurt. Hij maakt geen ongelukkige indruk. Toch oogt de situatie onpraktisch.

Naast mij op de bank is een stelletje komen zitten. Een jongen en meisje in de late adolescentie. Ze discussiëren over etnisch profileren. Zij vermoedt omkoperij door de Russen, via Amerika, misschien ook met de Koreanen samen. Het klinkt alsof ze verschillende nieuwsberichten met elkaar verwart. Ze weet niet goed hoe en waarom, maar ze zag het laatst op tv. “En wij maar betalen, snap je?“. Hij volgt haar niet en probeert het bij zijn eigen dagelijkse praktijk te houden. “Ik word vaak gezien in omgevingsfactoren” zegt de jongen, waarbij hij een toch wel behoorlijk serieuze blik werpt op het flesje Aloë Vera Drink dat hij vasthoudt. Het meisje lijkt er niet zeker van te zijn of haar vriend nu iets waardevols zegt, of juist iets onnozels. Ze begrijpen elkaar niet. Zij zucht. Hij laat een boer.

Wanneer ik de woorden herhaal in mijn hoofd, besef ik dat ze krachtig zijn. ‘In omgevingsfactoren gezien worden’. Dat klinkt sociologisch. Ik probeer me voor te stellen hoe dit werkt. Mensen hebben dan dus een beeld van mij, via factoren waar ik zelf geen invloed op kan uitoefenen. Ik ben bijvoorbeeld erg aardig omdat er meer sociale woningbouw in de regio wordt gerealiseerd, of omdat er minder praktiserend christenen binnen mijn gemeente zijn dan vijf jaar geleden. Of ik ben aantrekkelijk omdat vrouwen van mijn leeftijd meer witte driekwart leggings zijn gaan dragen en het gemiddelde gewicht van een volwassen vrouw met drieënhalve kilo is toegenomen. Dat vind ik best tof: niet gezien worden zoals ik ben, maar zoals het met onze samenleving gesteld is.  Het klinkt fijn.

Nou ben ik ook jong geweest. Ik probeer heel hard om me voor de geest te halen hoe het toen was. Ik zie grote emmers voor me, waar ik in spuugde omdat ik graag beweerde dat ik op mijn zestiende goed tegen sterke drank kon. Ook zie ik sigaretten, jointjes, geverfde haren, gebleekte broeken en sieraden voor me. Heel veel sieraden. En zwarte nagellak op mijn afgekloven nageltjes. Vechtpartijtjes tussen sporters en alto’s. Schakelbrommers en scooters. Omafietsen, pilotenjassen, ruiten en krakelingen. T-shirts met opdrukken die overmatig zweten veroorzaken. En als ik echt goed mijn best doe, weet ik nog wat vieze woorden uit die tijd. Kut, klote, pies, stront. Mongool, lul, aso, shit. Trut, eikel, hoer, klootzak. Doos, godverdomme en Jezus. En naarmate ik meer in de songteksten van de stevige grunge en hiphop duik, ook ‘fuck’ en ‘bitch’. Verder kom ik niet. Ik voel me oud. Zeker hier in Eindhoven.

Een bus vol ware toppers

De bus kan de perfecte plek zijn om menselijk gedrag te observeren. Dat bleek laatst maar weer eens, toen ik een gedeelte van mijn reistraject met de bus aflegde. Tijdens een rit van veertig minuten zag ik alles wat je leert over omgangsvormen en fatsoen. En vooral ook over het keihard negeren ervan. Tussen het centrum van de stad en de eindbestemming van mijn reis ontvouwde zich een magisch spektakel.

Het schouwspel begon met de man in de vierzits voor mij. Ik zag – dacht ik – niet goed wat hij deed, of eigenlijk wel maar wilde dit het liefst negeren. De kanjer zat namelijk lekker uit zijn neus te vreten. Iedere vangst hield hij omhoog op zijn vingertop en keurde hij als een controleur. Vervolgens draaide hij er tussen duim en wijsvinger een balletje van en stopte dit besmuikt in zijn mond. Op zich al heftig genoeg om te doen, omgeven door medepassagiers in een redelijk volle bus. Het kan nog erger. Dit prachtexemplaar deed het met zijn dochtertje op schoot. Nietsvermoedend zat zij – hooguit zes jaar oud – aan een lolly te zuigen, terwijl papa boven haar hoofd zijn neus grondig aan het uitgraven was.

Schuin tegenover de neusvreter zat een jongen van een jaar of elf. Stil en onderuitgezakt. Het kwartje viel niet gelijk; later realiseerde ik mij dat dit zoonlief moest zijn. De knul keek overal behalve in papa’s richting. Had niets door. Best vreemd, maar al snel ontdekte ik waarom er geen contact was tussen deze tiener en diens vader. Zijn aandacht ging ergens anders naar uit. Naast hem, aan de andere kant van het gangpad, zaten twee meisjes. Zo’n zestien jaar oud. West-Fries dialect, aan de schoudertas geclipt knuffeldier, flinke laag mascara, paars en platinablond haar. Druk in gesprek. Luid en duidelijk. Zij hadden het niet over Facebook, stiekem uitgaan, beugels en bh’s. Nee, deze ladies bespraken hun seksleven. Met nogal grafische verhalen.

‘Nee, ik wilde wel hoor, maar was gewoon bang joh. Hij was zo lief. We deden het pas na een half jaar en weet je: het was supertof’. Dat klonk adequaat, zelfs een beetje aandoenlijk. Het wierp me terug in de tijd, naar mijn eigen puberteit en alle bijbehorende toestanden. Vriendjes en intimiteit, gestuntel en verliefdheid. Helaas ontkrachtte hetzelfde meisje een paar minuten later alle romantiek. ‘Gatverdamme, zo’n piemel is dus echt lelijk. Klopt toch niet. Niet normaal. En hij is nog klein ook’. Bam. Hoogstens zeventien jaar oud en een penis devalueren. Ik dacht niet dat het er vroeger, toen ik zo jong was, ook al zo toedeed. Die size does matter-kwestie tenminste. Ondertussen werden de ogen van de tienerjongen alsmaar groter.

Ik zag de paniek. De twijfel sloeg toe bij ‘m. Thuis zou hij direct op inspectie gaan. En misschien ook nog even op Google zoeken naar nuttige informatie over grootte en lengte. Van zijn vader moest hij het nu niet hebben; die was te druk met sociaal onvaardig zijn. Hij dook in zijn telefoon, het schaamrood op de kaken. En toen, alsof het nog niet erg genoeg was, kwam naast hem een gezelligerd zitten. Aan de raamkant natuurlijk, dus eerst werd er onverkwikkelijk over de jongen heen geklauterd. Het gozertje had al die tijd geen telefoon in zijn hand gehad, tot nu. Desondanks stak de zeikerd naast hem direct van wal. Tegen zijn vader. Dat het schandalig was hoeveel tijd kinderen verdeden met apps en spelletjes. Ze zouden eens wat meer contact moeten hebben met hun omgeving.

Het liep helemaal vast in de vierzits voor me. Vader sputterde dat ze er bij de volgende halte uit moesten. Dochter draaide haar gezicht naar papa toe en vroeg of ze nog een ijsje gingen halen. De tienerzoon had waterige ogen en stopte – nota bene – zijn telefoon terug in zijn jaszak. Gewend aan afwijzing en onzekerheid, zo te zien. De zeikerd, die bleef steken bij hangjongeren, allochtonen en hondenstront, zag er verhit uit. Er werd onbesuisd op de stopknop gedrukt door vader. Dochter werd van schoot gebonjourd en zoonlief stond al bij de uitgang van de bus te trappelen om uit te stappen. Ze verdwenen gehaast. Het had iets kolderieks. Bij de volgende halte ging ook ik eruit. Wat een magistraal staaltje mensengedrag was dit. Het kan allemaal in de bus. Ik kijk nu al uit naar het volgende reisje.

De vrachtwagenwereld: koekjes, spannende massages en handige trucs

Een bucketlist blijkt een populaire must voor eigengereide mensen. Zo’n wensenlijstje zou iedereen moeten hebben, toch? Alleen al je fantasie de vrije loop laten en ‘lekker’ bezig zijn met grensverlegging en horizonverbreding. Het zou heilzaam werken. Nieuwsgierig als ik ben, heb ik er dus ook een gemaakt. Al best lang geleden. Het maken ervan was wel geinig, het hebben ervan viel vies tegen. Ik vind er geen zak aan om leuke dingen op papier te hebben staan. Ik doe ze het liefst gewoon. 

Met stip op #1 

Bovenaan mijn lijst staat dus al jaren ‘meerijden in een vrachtwagen’. Tja, geen idee waar de wens vandaan komt. Het zit niet in de familie. Ik groeide op in een autoloos gezin; mijn ouders hadden geen rijbewijs en ook geen ambities in die richting. Ik ben niet technisch aangelegd. Mij krijg je niet verrukt over iets met heel veel draden, knoppen, foutmeldingen en functies. Bovendien heb ik bijzonder weinig met auto’s. Ik heb er een en rijd ermee, maar dat is het dan ook wel. Oké, toegegeven: ik kan enthousiast worden van bepaalde kleurtinten en oldtimers (de teerbeminde vindt dit hilarisch). Maar zo’n vrachtwagen: man, man. Wat een imposant ding! Het gesis van de ontluchting, de gigantische wielen, die toeter. En als hoogtepunt natuurlijk de cabine. Het moet koninklijk voelen om zo hoog te zitten. Ik vind een vrachtwagenchauffeur met wie ik een dagje mee mag.

’s Ochtends een vent, ’s avonds kapot 

Om 06.00 uur op kantoor. Koffie, koffie en vooruit: doe er nog maar eentje. Een plens hete brandstof op een nuchtere maag. Ogen wrijven en even gapen, langzaam aan het tl-licht wennen. Vrachtwagenchauffeurs doen ook aan slap ouwenelen, zeg maar: roddelen. Het verschil met dames onder elkaar is dat het niet over jaloezie en onzekerheid gaat. Hier wordt steevast gelachen om vastgelopen achterassen, verkeerde ladingen, mislukte lossingen en navigatiefouten. ‘Asfalt op je dakje’ of ‘vaststaan in de prut’. Ook wordt er gepraat over gezondheid en ziekte. Een van de chauffeurs mag na tientallen jaren trouwe dienst volgend jaar met pensioen en doet het vanaf heden iets rustiger aan. De bloeddruk is te laag. Maar zeiken? Ho maar. Ik voel niets anders dan respect voor deze bikkel. Voor alle chauffeurs. Met hun handen als kolenschoppen en spieren van staal.

Wakker wiegen 

Als een machtige vorst duwt ‘mijn’ chauffeur zijn vrachtwagen de weg op. Ik wieg wat heen en weer. Bij het nemen van een stoepje voel ik niet meer dan zachte deining. In de bochten doe ik mijn best te geloven dat we al die lantaarnpalen niet zullen rammen. Ze lijken zo dichtbij, daarbij is het raam waar ik doorheen kijk kolossaal. En ondertussen geniet ik van het uitzicht. Werkelijk fenomenaal. Mijn chauffeur wijst me op de bijzonderheden: roofvogels hoog in de bomen en in pyjama ontbijtende Amsterdammers in de flats die we passeren. En appende automobilisten. Eikels. De stad slaapt nog half; wij brullen iedereen wakker. Op de radio klinkt housemuziek. Ik herken een technoplaatje en ben in gedachten terug op een festival in 2001. Ik voel me ontspannen. Het wordt langzaam licht.

Toveren op de bouwplaats 

Aangekomen op de bouwplaats is het tijd voor spierballenwerk. Kiepen, laden, lossen. Achteruit het bouwterrein op. Straatje steken. Drempel pakken. Een beetje sjouwen, trekken, duwen. Tussendoor bijpraten met de mannen en een sigaartje roken. Bakkeleien over bomengrond en geknepen zand. Er loopt hier van alles door elkaar, van boomchirurg tot stratenmaker. Tijd om met de wagen een trucje uit te proberen, een kunstje te flikken. Ik zit in de cabine – het is mij te koud om continu buiten te staan – en verroer me niet. De wagen schudt heftig heen en weer en plots vraag ik me af of dit weleens is misgegaan. Of er überhaupt al eerder iemand in de cabine is blijven zitten tijdens ‘dit trucje’. Het ziet er ongemakkelijk uit, en toch voel ik mijzelf onthaasten. Dat schudden werkt rustgevend.

Schaften in de keet

Lunchpauze. Geen vieze plaatjes, des te meer mooie praatjes. Over de koekjes van gisteren die lekkerder waren dan de bokkenpootjes die vandaag op tafel staan. Dit doet de mannen denken aan een belofte die nog niet is ingelost: “Iemand zou patat halen, toch?” Er worden saucijzenbroodjes weggehapt, halve rookworsten op brood geprakt. Ook zie ik witte pistoletjes, boterhamdozen met naamstickers, filet americain en salami. Er is verse koffie, de meesten drinken er zo’n tien koppen per dag van. Naast mij schilt de oudste van de groep zijn groene appel met een zakmes. Hij eet gezond, zo het lijkt het. Vanmorgen at hij namelijk al een sinaasappel. De plannen voor het weekend worden doorgenomen. Een van de heren zegt misschien lekker met het vrouwtje te gaan hangen in de ‘bibberbak’. Daarmee wordt een jacuzzi bedoeld: meesterlijke bijnaam.

Grote kerels, kleine hartjes

Bijna alle werkers hebben een echtgenote en kinderen. Ze zijn er trots op. Dit zijn mannen met stoer werk, gezegend met milde verlegenheid. De schuwheid in de keet wordt in de kiem gesmoord met schuine grappen in overtreffende trap. “Heb jij die vrouw langs de kant van de weg opgepikt? Geef mij dan even dat adres, dan rijd ik daar straks ook langs.” Of wanneer direct oogcontact niet meer te vermijden is – ik kijk mensen graag aan – volgt er zoiets als: “Niet teveel ondeugende dingen nou gaan doen he?” Ik denk dat er vrouwen (en mannen) zijn die dit niet trekken. Ik ben er dol op. Over vrouwen gesproken: ik krijg tijdens deze pauze een gouden tip. Een van de chauffeurs, vandaag elders aan het werk, geeft spannende massages. Uitsluitend voor vrouwen. Extraatje is dat je het verplichte douchen, wel zo hygiënisch, samen met hem mag doen. Ik sla de link naar zijn website op.

Puur genieten 

Het is tegen half drie ’s middags als ik weer thuis ben. Helemaal gesloopt. Ik stond tien uur geleden op en zou nu al naar bed willen. Toch is het beter als ik gewoon even op de bank ga zitten om de kiekjes van vandaag terug te kijken. Daarop zie ik veiligheidshesjes, helmen, apparaten, stof, modder, werklui, de snelweg in het donker en…de cabine. Ik lach wanneer ik terugdenk aan de grappen uit de keet. Wat een bewondering heb ik voor deze noeste arbeid en wat houd ik van dit soort mooie mensen. Ik voel me een beetje Frans Bromet. Vandaag zag ik een wereld die ik nog niet kende. Het moet er vast bijzonder uit hebben gezien: zo’n blond ding met te grote veiligheidsschoenen, te wijd oranje hesje en een bouwhelm op. En dat tussen al die rauwdouwers. Hele lieve, welteverstaan. Ik voel me gelukkig; ik heb keihard kunnen onthaasten. Nummer 1 is afgevinkt.